Over nieuw en oud in de beeldhouwkunst (1989)

 

Het woord Beeldhouwkunst is leeg geworden. Dat komt niet alleen omdat het gebruikt werd als verzamelnaam voor alle driedimensionale beeldende kunst die als een tastbaar object in de ruimte kan geplaatst worden.

Men gebruikte het woord zowel voor geboetseerde werken als voor werken die in hout gesneden of in steen gehakt werden. In ijzer gelast of in papier mâché uitgevoerd, het was ons geen zorg. De visitekaart van Henri Puvrez vermeldde "statuaire d'Art". En wij noemden Rodin een beeldhouwer alhoewel hij feitelijk een "modeleur d'Art" was. Dat de oude graveurs sculptist schreven onder hun werk heeft niet verhinderd dat wij niet alleen beeldhouwwerk maar ook sculpturen boetseerden. De Nederlanders spraken graag van hout-steen-kleiplastiek.

Niettegenstaande deze spraakverwarring wisten we, tot enkele jaren terug, nog wel waarover we spraken. Zou de aftakeling van de taal een voorbode geweest zijn van het leegvloeien van de begrippen. Weinigen weten nu nog wat wij bedoelen wanneer wij zeggen "Beeldhouwwerk".

Het woord beeldhouwkunst is dan verder nog samengesteld met de woorden beeld en kunst. Wat de probleemstelling nog uitvoeriger maakt. Frans Boenders heeft het ongeveer op de volgende manier verwoord "Wij hebben nagedacht over wat beeldhouwkunst is. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat beeldhouwkunst vandaag veel meer is dan voorheen. Sommige nieuwe strekkingen in de beeldhouwkunst kunnen zelfs nog bezwaarlijk doorgaan onder de noemer beeldhouwkunst. Wij zouden daar een ander woord voor moeten vinden. Wij zouden een nieuw woord moeten maken!". Het zou goed zijn dat beeldhouwwerk-afstotende strekkingen niet langer beeldhouwwerk genoemd zouden worden.

Een tijd terug wisten we nog wel wat beeldhouwkunst was. Beelden van 20.000 jaar voor onze tijdrekening, de "burgers van Calais" en ook de stenen van Brancusi hoorden daarbij. En ook de beelden van Afrikaanse en andere primitieve volksstammen. De beelden ons nagelaten door de grote oude culturen van verschillende continenten. En daarbij is het opvallend dat er overal godenbeelden werden gemaakt. Goden tot mensen gemaakt en mensen tot goden verheven.

Mytologische en legendarische gestalten. Zelfs de naar model geboetseerde beelden van Grard doen denken aan godinnen van het leven. Zatkin heeft een gans leven gewerkt aan zijn Orpheus. De "koning en de koningin" van Henri Moore lijkt wel een moderne versie van de sphinx. Hij is bekommerd om het scheppen van natuurlijke vormen. Zijn beelden slapen en verwijzen naar een zijnsgebied. Het gebied van de stilte.

Wij vinden dat terug bij Jespers, bij Puvrez. Bij beeldhouwers als J. Dries wiens werken teruggaan op de Japanse Zen-kunst. Ook Walravens en Keustermans betreden dat gebied. Met het aanhalen van enkele namen ter illustratie wil ik zeker de vele anderen niet uitsluiten die eveneens in hun werk deze visie bevestigen. Alleen maar wegdromen in een zijnsgebied is voor de beeldhouwer niet weggelegd. Hij moet omgaan met maten en gewichten! Al werkend, hakkend bij voorbeeld in zwarte marmer moet hij heelwat weerstand overwinnen. Hij is ook gebonden aan tijdelijke en plaatselijke gegevens. Zoals hier de steen Noir de Mazy.

Moet de beeldhouwkunst, deze zijnskunst, zich het "nieuwe" ontzeggen? Neen! Want het nieuwe is van altijd. Het nieuwe kan niet veranderen. Bij het modieuze is het anders. Het modieuze kan demoderen.

Beeldhouwkunst is van alle tijden. Ook van toen het woord kunst nog niet bestond. Beeldhouwkunst is al even moeilijk te definiëren als b.v. de liefde die ook van alle tijden is.
Ik zie voor mij in 1940 de kunstschilder Albert De Roover. Sprekend over beeldhouwkunst zegt hij : "Wat is vorm?” Hij neemt de houding aan van een moeder met haar kind in de armen. Hij zegt : “Dat is vorm". Hij gebruikIe een beeld. Beelden zeggen meer dan het rationeel begripsmatige. Op zijn manier heeft hij weliswaar niet woordelijk, toch gezegd dat de beeldhouwkunst van alle tijden is.

De wereld veroudert in versneld tempo. We plukten er de voordelen van maar ondergaan er nu ook de nadelen van. Wat van alle tijden is ontglipt ons omdat het te stil en te groots is. In de plaats komt behoefte aan sensatie. De dramatische kunstvormen "die zich in de tijd afspelen" waarin toestanden aan het licht gebracht worden, zoals dat gebeurt in literatuur, toneel, film, dans en andere, horen bij onze tijd van versnelde evolutie.

Beeldhouwkunst daarentegen is een kusntvorm die bij uitstek geschikt is om het blijvende te tonen. Dit is niet reactionair, niet tegen de vooruitgang in bedoeld. De vooruitgang is een opeenvolging van steeds nieuwe toestanden. De vooruitgang brengt de realiteit van het zijn niet in mindering want ook toestanden zijn. En het zijn is het blijvende.

Het is begrijpelijk en voor onze tijd kenmerkend dat de hedendaagse kunst de gebeurtenissen in de tijd benadrukt. Onze tijd ontwikkelt kunstvormen, zoals performance, happening en zo meer, die zichzelf opdoeken. De kunst van vandaag zal logischerwijze morgen de kunst van het verleden zijn. De beeldhouwkunst die ik bedoel is door haar eigen karakter meer geschikt om het zijnde van de dingen tot uitdrukking te brengen. Daarom krijgt ze vandaag minder kans. Maar het is wel de kunst van altijd en daarom ook die van morgen.

Het nieuwe in de kunst verwijst naar de bron. De oorsprong, de origine. Het originele van het beeldhouwwerk verwijst naar het blijvende van de oorsprong. De inspiratiebron. Het nieuwe in het beeldhouwwerk verwijst naar het naïeve. Naar het gebied van het geboren worden. Van het ontstaan.

Het zal wel fijn zijn te kunnen zeggen : "Ik werk met polyester. Ik werk in een materiaal dat in duizenden jaren nooit heeft bestaan. Ik ben van mijn tijd, ik hoor erbij." Maar het is ook een hele belevenis te kunnen zeggen : "Ik bewerk natuursteen, materiaal dat sinds het begin der mensheid gebruikt werd om uitdrukking te geven aan wat wij vandaag noemen de artistieke behoefte. Daardoor voel ik mij niet verloren op mijn klein tijd-eilandje van eind 20ste eeuw. Ik doe nog steeds wat die eerste mensen deden. Het schijnt van alle tijden te zijn. Zoiets als de liefde. Ik hoor erbij."

 

(Rene Smits, 1989 – 5e Beeldhouwerssymposium)

Over nieuw en oud in de beeldhouwkunst (1989)