Bedenkingen
RS over het Woord:
Soms zeg ik: ik heb twee leraren gehad, Henri Puvrez en Dr. Zeylmans van Emichoven. Hoe verschillend ze ook waren, beiden gebruikten spaarzaam het woord. Toen mevrouw Puvrez zich bekloeg over haar man die tijdens een uitstapje geen woord sprak maar wel met de koeien ging praten, antwoordde Puvrez ‘Ja, maar die verstaan me’.
Toen ik jong was en onbegrepen door mijn familie verstoten werd, nam ik me voor om over kunst te leren spreken in de taal van het intellectuele denken, in de hoop toch beluisterd te worden. Daar ben ik in de loop der jaren vrij goed in geslaagd, denk ik.
RS over het Beeld:
Iedereen die een droom wil vertellen realiseert zich dat dromen « beelden » zijn buiten de tijd, en geen verhalen in verloop van tijd. Dit soort beeld of image heeft te maken verbeelding of imaginatie.
Vandaar dat « beeldende » kunst de uitstraling heeft van het eeuwige, het buitentijdelijke van het zijn.
RS over "het oudste beroep" ter wereld
Het is voor een beeldhouwer een hele ervaring te weten dat zijn werk verwant is aan de Venus van Hohle Fels (ca. 40.000 jaar oud). Dat een Egyptische beeldhouwer, 7.000 jaar geleden, net dezelfde weg volgde om zijn beeld uit de steen los te maken. Beeldhouwen wordt dan plots even normaal en essentieel voor de mens als eten, drinken, denken en vrijen.
RS over Schoonheid (1):
Als kleuter van zes werd ik in de nonnekensschool voorbereid op de eerste communie. Dezeke zou dan in mijn hartje komen. Maar er gebeurde niks.
Een paar jaar eerder had ik echter een zeer indrukwekkende openbaring door een bijzondere lichtervaring. Mijn moeder zoogde mijn zusje badend in het licht, omgeven door architectuur die dat licht mogelijk maakte. Een groots wonder dat zich niet kan herhalen, want het was het licht van de zon op dat ogenblik van het jaar 1929. Toch is het een blijvende herinnering aan deze openbaring van de schoonheid. En deze schoonheid maakte deel uit van mijn latere vorming en inspiratie.
RS over Schoonheid (2):
Toen de dorpspastoor, een indrukwekkende asceet, gestorven was, werden honderden kinderen van de plaatselijke scholen door de pastorij geloodst om de overledene te groeten. Hij lag opgebaard in een prachtige kazuifel. Ook daar onderging ik het grootse van de schoonheid die zelfs doorheen de dood klinkt.
Maar toen ik tien jaar later bij een oorlogsslachtoffer in een gracht het bloed heftig kolkend uit zijn nek zag stromen kon ik dat bezwaarlijk mooi noemen.
RS over Schoonheid (3):
Terwijl ik leerling was aan het NHI werd de instelling een tijd gesloten wegens bomgevaar. Ik ging toen deel uitmaken van reddingsploegen. Zo kwam ik een keer terecht bij een ingestorte hoeve waar het vuur doorheen joeg. Doden en zwaar gekwetsten werden weggevoerd. Een tijdje later wou ik de plek van de ramp terugzien. Als toeschouwer zag ik de schoonheid van de architectuur van het zwartgeblakerde geraamte van het dak voor een rode zonsondergang.
Toen merkte ik dat er hier en daar, in de zwarte grond tussen de steenresten, een bloem bloeide. Ik dacht: schoonheid is gevoelloos, zo hard als een bikkel. Wat heeft de dakloze, de kreupele of het lijk aan een bloempje?
RS over Schoonheid (4):
Vele jaren later ontmoet ik de schoonheid zelve. Ze staat, met de onverzettelijkheid van een grote monoliet, onbewogen met haar rug naar de mens gekeerd. Gevangen in de nutteloosheid en het amorele. Wij kunstenaars kunnen haar redden. Wij kunnen haar tot leven wekken, haar verlossen, als we haar betrekken in ons werk. Dan toont zij haar gelaat.
RS over Schoonheid (5):
Schoonheid is, in een kunstwerk, de volmaakte afwezigheid van alles wat er niet bij hoort, wat niet ter zake doet, wat niet geëigend is.
Het mengen van verschillende kunstdisciplines is een fenomeen waarbij in het bijzonder de beeldende kunsten getroffen worden. Het bewerkstelligt veel vuiligheid.
In Nederland is de poetsvrouw een schoonmaakster. Schonen of opschonen is verwijderen wat er niet bij hoort. Al wat niet schoon is is vuil. De Vlaamse poetsvrouw maakt alles proper: 'propre', eigen. Enkel het eigenlijke blijft behouden. Het schone van een kunstwerk heeft niets te maken met zoeterige leugens.
RS over de zwangerloze vrouw in de kunst:
In heel de kunstgeschiedenis en ook in de voorchristelijke culturen, vind ik geen zwangere vrouwen in beeld gebracht. In de iconografie zijn het kind en de moeder - zelfs het zogende kind - geliefde onderwerpen, maar de dragende, zwangere vrouw ontbreekt. Ook bij Rembrandt, die van tijdgenoten kritiek kreeg omdat hij zijn model koos bij het gewone werkvolk, komt de zwangere vrouw in zijn werk niet aan bod.
'Zalig de schoot die u gedragen heeft en de borsten die u hebt gezogen,' schrijft Sint-Lucas. Het is aantrekkelijk om daar naar te verwijzen, maar waarom dan de afwezigheid in gans de beeldende kunst? Want zelfs de Godin van de Vruchtbaarheid was ook nooit een zwangere.
Het ontdekken van de achtergrond van de zwangerloze vrouw in de kunst is een wetenschappelijke studie waard. Waar ligt de oorsprong van dit taboe? Is het schande of schaamte? Of is het ontzag en schroom?
RS over Kunst en Anti-kunst:
Grote portrettisten trachten te ervaren 'wie' ze portretteren. Ze streven een sterke 'aanwezigheid' van de persoonlijkheid van de geportretteerde vast te leggen. Onterecht menen sommigen dat een portret louter academisch werk is. De vormgeving van een portret ontstaat, net als bij elk ander kunstwerk, uit noodzaak aan taal en expressie. In de vorm van het hoofd zien we de familietrekken en een gedeelde geschiedenis, maar er is ook iets anders dat ons de essentie van de persoon laat herkennen. Het oproepen van de présence in een portret heeft bovendien dat wonderlijke: dat dit mogelijk gemaakt wordt door de vorm én niettegenstaande de vorm. Want net als in de werkelijkheid blijft het geheimenisvol waarom wij elkander blijven herkennen ondanks dat onze vorm zich wijzigt van wieg tot graf.
Toch wordt het portret als kunstwerk ondergewaardeerd. Bovendien is het zo dat mindere kunstenaars met meer pretentie wel eens een portret maken om den brode. Uit artistieke armoede menen ze dat ze hun model moeten 'mooier' maken of flatteren. Ze beliegen zichzelf en hun opdrachtgever. Het zogenaamd mooi maken is de ergste vorm van anti-kunst.
RS over Talent, Kritiek en Vervlakking:
Bij onze mensen is er veel talent. Maar omdat het afzetgebied te klein is zijn ze om den brode op hun hoede. Dat is niet bevorderlijk voor vriendschap en collegialiteit. Bovendien vereenzelvigt de kunstenaar zich met zijn werk. Niet houden van zijn werk of kritiek ervaart hij als een aanslag op zijn persoon.
Naar buiten toe moet hij handelsreiziger spelen. In de daarbijhorende vervlakking gaat hij zich wel eens lekker voelen tot er niets meer overblijft van wat zijn talent beloofde.
Men schrijft dat de hedendaagse kunstenaar de rol van criticus voor zichzelf heeft opgeëist. Ik denk: was dat maar waar! Want velen doen kritiekloos wat de critici in dienst van de internationale kunstmarkt verwachten.
Maar ook als er niks meer is: niet getreurd. De Belgische ministers van cultuur kunnen, gesteund door de internationale kunsthandel, niet alleen stront maar ook 'niks als koopwaar' aan de man brengen.
RS over de verguisde hedendaagse beeldhouwer:
Vroeger kon een beeldhouwer leven van zijn kunst. Nadien kon hij alleen nog maar leven voor zijn kunst. En nu is het opvallend dat sommige beeldhouwers nog leven niettegenstaande hun kunst. Want de beeldhouwkunst wordt doodgezwegen. En maken de media toch al eens gewag van beeldhouwkunst, dan bedoelen ze een of andere happening, project of installatie. De verguisde hedendaagse beeldhouwer moet volslagen gek gek zijn om zich zo uit te sloven.”
RS over het Grote Publiek:
Kunstenaars zijn gelukkig wanneer zich onder het publiek echte liefhebbers bevinden die hun oprechte interesse en bewondering tonen. Dat stemt ons dankbaar en geeft ons vertrouwen. Maar er gaat geen tentoonstelling voorbij of men wordt geconfronteerd met de meest diepzinnige vragen: "En, doet u dat al lang?" "Is dat niet moeilijk?" "Hoe lang bent u daar nu zo mee bezig?" "Werkt u ook?" "Is kunst niet iets voor de elite?" "Is dat nog wel van onze tijd?" "Staan artiesten niet buiten de werkelijkheid?"
De topper is: "Wat kost dat?" Mijn antwoord luidt steevast: "Het kost veel moeite. Moeite om het te maken en moeite om het te betalen."
Een dappere enkeling is ook nieuwsgierig naar het werken naar levend model. "Ja," zeg ik dan, "die modellen zijn helemaal naakt. Het is gebruikelijk dat men een model drie kwartier in de meest onmogelijke houding laat staan, om dan na een kwartier rust weer verder te poseren. En soms, bij liggende houdingen, moet men het model wakker maken opdat ze zou kunnen genieten van de voorziene pauze."
Bij het buitengaan klinken dan weer vaak woorden van waardering: "Amaai, dat is hier nogal wat anders dan op de tv. Ja mijnheer, ik zou het niet kunnen!"
RS over de Toekomst:
Toekomst is dat wat ons toekomt, waar we recht op hebben. Maar, we kunnen het niet weigeren. Wat ons toekomt is dus ook ons lot.”